Opendoen
Boeken op de
tafel, vastgeroest
Geen
mens die ze nog opendoet
Geen mens die nog gelooft
dat boeken opendoen kan
doen zoeken naar meer
dan boeken opendoen
Geen mens die nog gelooft
dat vinden is;
boeken en roest
en tafels,
dát vinden is zo oud als geen mens
ik voel soms enkel nog de rafels
Saturnus
Altissimum planetam tergeminum observavi
Vriend;
met uw buis
waardoorheen
gij zien
kunt: gedrochten,
het verste
van ons kennen
strek uw arm en
reik daarheen (drie wordt
één wordt drie) – zij wringt
zich in de vreemdste bochten
en ik was blind; las mijn
eigen wensen in uw raadsel
de oorlog moest zijn zaad
nog laten zingen
Gij keek omhoog en zag
verdwijnen en verschijnen
Ik was enkel blind; zag vanalles
maar geen ringen
35
Onaangeroerd ligt zij
spiegelei te zijn.
Nog even, dan kan
ik mezelf weer zien.
[35 dagen eerder]
Breek dit rustig
in twee stukken
Roer dit zachtjes
heen en weer
Zweer me dat dit
breken nut heeft,
Schrijf mij als je
straks nog leeft.
Verschrikker
In het midden van een veld
wappert hij met flarden kleren,
stukjes wegvliegend stro
balanceren op de rug van de wind
Hij wandelt maar staat stil
zoekt verse regels tussen
vogels en zandwegels
graan is alles wat hij vindt
Gier
Gij eet mijn vlees,
weet dus ook dat
scheuren ander gespuis lokt,
aaseters, ze drommen samen
van kilometers ver.
Toch scheurt gij
pezen van spieren van botten
Rot, reeds geronnen bloed smakt gij
genietend binnen: uw tong, spits,
bedreven
in het negeren van smaak.
Uw kale hals hebt gij
ooit grijs geschilderd
wilder was te rood vond u
Grijs staat lekker misdadig.
Wees mij genadig.
Ontwaak
De bomen schilderen
sinds kort witte vlekken
door de ramen binnen
Penselen zo groen en
in ‘t geniep: strijken zacht
achter de werkelijkheid
de zon en lucht in bloei
En de dooien op
het kerkhof vol van
licht en luid leven:
hun graven liggen languit
in de zon te bruinen; verbranden
doen ze allang niet meer
Ontwaak,
verzaak uw pasgeboren
plicht niet
De vuile winter is voorbij
Bouw uw nesten
en bemest uw land
Handleiding bij schipbreuk
Stil water, glad
kijk erin en zie wat
wij zijn:
een eiland als een ander:
rotsige kust ziet
onrust en plots
klots jij strandend
in mijn branding;
breekt het schip
in stukken zo schuimbekkend
van nijd, breekt de
spiegel
zoek rust, weg van
de kust
loop behoedzaam door
mijn duinen
dieper in het woud
zijn koppensnellers,
kom niet in de buurt;
pas als zij hun nachtvuur
ontsteken
Heb geduld; dit eiland
heeft gebreken. (bis)
Graf
Vind een gat
rotsvast besloten
in de grond.
Plof het neer: het
oude, en laat
het niet tot ons
wederkeren.
Wij zijn het
kwijt; het heeft ons
verlaten, voor praten
vandaag geen tijd.
Nieuw design
Jawel, ik ben van vormgeving veranderd. Vooral omdat deze blog meer en meer naar een gedichtenblog aan het evolueren is, en de vorige lay-out daar iets te koud en klaar voor was.
Misschien is dit volgens u helemaal geen goed idee? Laat het dan zeker weten.
Vaart
Weet je dan niet
dat de vaart uit het leven lekt:
een platte batterij die met horten
en stoten zuur vuil braakt onder
het mom van overvloed,
de klok schopt waar het pijn
doet (in de twaalf)
Maar ’s ochtends weer opgeladen
is, rijp voor de sloop:
de hamer van het gouden kalf
dat Manon heet
Plat op de buik,
volg de wijze naar het
bed, de kleine
preekt over niets meer:
slaat een slag teveel;
nu wordt het alleen
maar beter