Af
Hij wandelt, het is ijzig koud, terug naar het pad, terug naar het brugje, terug naar het grotere pad, terug naar af. De gedachten vreten hem vanbinnen op: langzaam lopen ze vanuit zijn hoofd, langs zijn keel, langs de krop die ergens tussen hals en hart begint te zwellen. Het slikken gaat moeizaam, het ademen kort en snel.
Terug naar af. Aan het beekje blijft hij staan, gaat hij langzaam zitten op de harde bevroren grond. Nog steeds malen de gedachten door zijn hoofd, en nog steeds is alle structuur zoek. Angstig probeert hij zijn ademhaling onder controle te krijgen, wat faliekant mislukt: zijn maag stuwt in weerzin een kolkende massa gal omhoog. Terwijl de kots zijn verkramptheid in uiterste consequentie aan zijn mond doorrekent, snapt hij dat hij wat gebeurd is, heeft doen gebeuren. Hoe of wat of wie of waar, daar heeft hij nog het gissen naar. Maar het is gebeurd en hij was er en hij was het die gebeurde. Niet in zijn geest, in zijn geest gebeurde niets, in zijn geest was alles al ettelijke malen gebeurd, maar nu gebeurde niets. Enkel hij gebeurde, niets anders, hij gebeurde, hij bewoog, en de rest van de wereld stond stil; de mond open, de stront in de ogen. In die éne luttele minuut gebeurden de laatste twee maanden – hoe stil die ook geweest waren. Twee maanden… En hij natuurlijk, hij gebeurde.
Terug naar af. Zijn fiets ligt nog steeds waar hij hem achtergelaten had. Rustig neemt hij de fiets op, wipt op het zadel en verdwijnt zacht de vallende duisternis in, de rest van zijn leven tegemoet: terug naar af.
De volgende dag schreeuwt het in de krant.
Er is iets gebeurd.