Teheran
Zwijgend stormen massa’s
hersenplicht langs fiere
geschiedenis heen
Zij bidden tot de
grote god, zij
roepen naar
de leugenaar; stop
het verkrachten van
praten
het man en macht
verzwijgen;
de stem van de
vrijheid is schor
maar sterk
en leeft, ze heeft
werk en
scheurt zich los
En aan de andere
kant van de bol
schilderen ze het
beeld rood
Kale heuvels
Kale heuvels,
veulens bedauwd
zijn populieren zo nauw
Gras zo grijs als
de wolken,
de grazige wolken
laag hangen ze, lager
dalen ze
De plas ijswater
tussen de poten
van koeien – soldaten:
het water houdt hen hoog
hun loopgraaf is gedolven
De plas, de veulens, de wolken
ze wroeten in dit gedicht
traag begint het hen te dagen
Hun haar ligt goed
Ontwaak (2009)
Ongeveer een jaar geleden schreef ik hier het gedicht “Ontwaak” neer. Dit is een nieuwe versie, waar ikzelf heel wat tevredener over ben.
De bomen blazen
sinds kort witte vlekken
door de ramen
Penselen zo groen en
groot en wakker
strelen achter de
werkelijkheid zacht
de zon en lucht in bloei
En de dooien op
hun akker vol van
licht en luid leven,
liggen in hun graven,
lui en mat denken zij
- mij ontbreekt niets
Ontwaak,
verzaak uw pasgeboren
plicht niet
De vuile winter is voorbij
Bouw uw nesten
en bemest uw land
Zonder handen
Mijn handen en de koorden
van de schommel, we
maken rommel zolang
de zon niet ondergaat
Oude wijven die lang
zaam voorbijschuifelen,
zij missen niets, maar
kijken toch alsof zij
altijd al zo waren
Zonder handen fiets ik later
door de straat
de zon is onder maar de
grond is nog warm
Aan zee gaat het soms beter
Luister naar de kaarters
op cafe, zij gokken amper,
zij weten
Kijk naar de vogels
op het strand, zij maaien niet,
zij vissen
Ruitenazen in de hand,
kijken voorzichtig in het rond,
gooien achteloos de
kaart op tafel
Een cola alstublieft.
Af
Hij wandelt, het is ijzig koud, terug naar het pad, terug naar het brugje, terug naar het grotere pad, terug naar af. De gedachten vreten hem vanbinnen op: langzaam lopen ze vanuit zijn hoofd, langs zijn keel, langs de krop die ergens tussen hals en hart begint te zwellen. Het slikken gaat moeizaam, het ademen kort en snel.
Terug naar af. Aan het beekje blijft hij staan, gaat hij langzaam zitten op de harde bevroren grond. Nog steeds malen de gedachten door zijn hoofd, en nog steeds is alle structuur zoek. Angstig probeert hij zijn ademhaling onder controle te krijgen, wat faliekant mislukt: zijn maag stuwt in weerzin een kolkende massa gal omhoog. Terwijl de kots zijn verkramptheid in uiterste consequentie aan zijn mond doorrekent, snapt hij dat hij wat gebeurd is, heeft doen gebeuren. Hoe of wat of wie of waar, daar heeft hij nog het gissen naar. Maar het is gebeurd en hij was er en hij was het die gebeurde. Niet in zijn geest, in zijn geest gebeurde niets, in zijn geest was alles al ettelijke malen gebeurd, maar nu gebeurde niets. Enkel hij gebeurde, niets anders, hij gebeurde, hij bewoog, en de rest van de wereld stond stil; de mond open, de stront in de ogen. In die éne luttele minuut gebeurden de laatste twee maanden – hoe stil die ook geweest waren. Twee maanden… En hij natuurlijk, hij gebeurde.
Terug naar af. Zijn fiets ligt nog steeds waar hij hem achtergelaten had. Rustig neemt hij de fiets op, wipt op het zadel en verdwijnt zacht de vallende duisternis in, de rest van zijn leven tegemoet: terug naar af.
De volgende dag schreeuwt het in de krant.
Er is iets gebeurd.
De feiten
de dood echter
is een rotswoestijn
die er niet wil zijn
en daarom echter is
zijn muil houdt en verder
de feiten onderbouwt
Opendoen
Boeken op de
tafel, vastgeroest
Geen
mens die ze nog opendoet
Geen mens die nog gelooft
dat boeken opendoen kan
doen zoeken naar meer
dan boeken opendoen
Geen mens die nog gelooft
dat vinden is;
boeken en roest
en tafels,
dát vinden is zo oud als geen mens
ik voel soms enkel nog de rafels
Saturnus
Altissimum planetam tergeminum observavi
Vriend;
met uw buis
waardoorheen
gij zien
kunt: gedrochten,
het verste
van ons kennen
strek uw arm en
reik daarheen (drie wordt
één wordt drie) – zij wringt
zich in de vreemdste bochten
en ik was blind; las mijn
eigen wensen in uw raadsel
de oorlog moest zijn zaad
nog laten zingen
Gij keek omhoog en zag
verdwijnen en verschijnen
Ik was enkel blind; zag vanalles
maar geen ringen
35
Onaangeroerd ligt zij
spiegelei te zijn.
Nog even, dan kan
ik mezelf weer zien.
[35 dagen eerder]
Breek dit rustig
in twee stukken
Roer dit zachtjes
heen en weer
Zweer me dat dit
breken nut heeft,
Schrijf mij als je
straks nog leeft.