Puber
Brekend zoek ik
in de spiegelscherven
mijn ziel die ergens
toch moet zijn
Ik vind een puist,
daar waar bij een ander
de ziel soms lijkt te
zitten
Ik zoek, ik vind,
mijn hoofd in mijn handen
ik verlies, ik vloek
Ik zoek een groot
warm lichaam waarin
ik mezelf kwijtkan
Korte inleiding tot het solliciteren
is het niet een grijze straat
as en stof om tijdig
te verlaten
peinzend snijd ik stukjes
tijd in twee – lang
gaan ze mee, duur zijn
ze niet:
lang duren ze
vrank en vrij hiervoor was
druk;
nu stoor ik mensen en ik word
dik
Stip
Kleintje, dingetje,
mijn huis, mijn vuist
gebald om zoveel
klein
stap je mee langs
kilometers kortheid
die wij ver noemen
Minilanden en
kaboutermensen,
Speelgoedbomen en
kleuterklas
Maar ik ben groots
ik, die god naboots
draai maar rond mij,
jij klein heelal
waarin ik niet pas
Teheran
Zwijgend stormen massa’s
hersenplicht langs fiere
geschiedenis heen
Zij bidden tot de
grote god, zij
roepen naar
de leugenaar; stop
het verkrachten van
praten
het man en macht
verzwijgen;
de stem van de
vrijheid is schor
maar sterk
en leeft, ze heeft
werk en
scheurt zich los
En aan de andere
kant van de bol
schilderen ze het
beeld rood
Kale heuvels
Kale heuvels,
veulens bedauwd
zijn populieren zo nauw
Gras zo grijs als
de wolken,
de grazige wolken
laag hangen ze, lager
dalen ze
De plas ijswater
tussen de poten
van koeien – soldaten:
het water houdt hen hoog
hun loopgraaf is gedolven
De plas, de veulens, de wolken
ze wroeten in dit gedicht
traag begint het hen te dagen
Ze mogen niet klagen
Ontwaak (2009)
Ongeveer een jaar geleden schreef ik hier het gedicht “Ontwaak” neer. Dit is een nieuwe versie, waar ikzelf heel wat tevredener over ben.
De bomen blazen
sinds kort witte vlekken
door de ramen
Penselen zo groen en
groot en wakker
strelen achter de
werkelijkheid zacht
de zon en lucht in bloei
En de dooien op
hun akker vol van
licht en luid leven,
liggen in hun graven,
lui en mat denken zij
- mij ontbreekt niets
Ontwaak,
verzaak uw pasgeboren
plicht niet
De vuile winter is voorbij
Bouw uw nesten
en bemest uw land
Zonder handen
Mijn handen en de koorden
van de schommel, we
maken rommel zolang
de zon niet ondergaat
Oude wijven die lang
zaam voorbijschuifelen,
zij missen niets, maar
kijken toch alsof zij
altijd al zo waren
Zonder handen fiets ik later
door de straat
de zon is onder maar de
grond is nog warm
Aan zee gaat het soms beter
Luister naar de kaarters
op cafe, zij gokken amper,
zij weten
Kijk naar de vogels
op het strand, zij maaien niet,
zij vissen
Ruitenazen in de hand,
kijken voorzichtig in het rond,
gooien achteloos de
kaart op tafel
Een cola alstublieft.
Af
Hij wandelt, het is ijzig koud, terug naar het pad, terug naar het brugje, terug naar het grotere pad, terug naar af. De gedachten vreten hem vanbinnen op: langzaam lopen ze vanuit zijn hoofd, langs zijn keel, langs de krop die ergens tussen hals en hart begint te zwellen. Het slikken gaat moeizaam, het ademen kort en snel.
Terug naar af. Aan het beekje blijft hij staan, gaat hij langzaam zitten op de harde bevroren grond. Nog steeds malen de gedachten door zijn hoofd, en nog steeds is alle structuur zoek. Angstig probeert hij zijn ademhaling onder controle te krijgen, wat faliekant mislukt: zijn maag stuwt in weerzin een kolkende massa gal omhoog. Terwijl de kots zijn verkramptheid in uiterste consequentie aan zijn mond doorrekent, snapt hij dat hij wat gebeurd is, heeft doen gebeuren. Hoe of wat of wie of waar, daar heeft hij nog het gissen naar. Maar het is gebeurd en hij was er en hij was het die gebeurde. Niet in zijn geest, in zijn geest gebeurde niets, in zijn geest was alles al ettelijke malen gebeurd, maar nu gebeurde niets. Enkel hij gebeurde, niets anders, hij gebeurde, hij bewoog, en de rest van de wereld stond stil; de mond open, de stront in de ogen. In die éne luttele minuut gebeurden de laatste twee maanden – hoe stil die ook geweest waren. Twee maanden… En hij natuurlijk, hij gebeurde.
Terug naar af. Zijn fiets ligt nog steeds waar hij hem achtergelaten had. Rustig neemt hij de fiets op, wipt op het zadel en verdwijnt zacht de vallende duisternis in, de rest van zijn leven tegemoet: terug naar af.
De volgende dag schreeuwt het in de krant.
Er is iets gebeurd.
De feiten
de dood echter
is een rotswoestijn
die er niet wil zijn
en daarom echter is
zijn muil houdt en verder
de feiten onderbouwt